Trektunnels
Bij Dubbink leggen we tunnels aan zonder omgevingshinder of verkeersstremming. Dit doen we door de trektunneltechniek toe te passen. Bij deze methode wordt een tunnel onder een bestaand weg- of spoorlichaam door getrokken, terwijl de infrastructuur in gebruik kan blijven. Op deze manier kan het verkeer tijdens de werkzaamheden ongehinderd doorgang blijven vinden.
Dubbink is de uitvinder van de trektunneltechniek en heeft deze methode in de afgelopen decennia doorontwikkeld. In de afgelopen 25 jaar zijn meer dan honderd tunnels, duikers en leidingkokers op deze manier gerealiseerd. Dankzij deze ervaring is Dubbink toonaangevend op het gebied van sleufloze tunnelbouw.
Voordelen van de trektunneltechniek
Een belangrijk voordeel van de trektunneltechniek is dat wegafsluitingen niet nodig zijn. Dit beperkt overlast voor de omgeving en zorgt voor een veilige verkeerssituatie. Daarnaast wordt de tunnel naar een vast punt toe getrokken. Hierdoor is de kans op maatafwijkingen aanzienlijk kleiner dan bij andere technieken, zoals persen.
De door Dubbink gerealiseerde tunnels verschillen in afmeting. De breedte varieert van 1,00 tot 8,00 meter en de hoogte van 1,25 tot 5,00 meter. De langste tunnel die tot nu toe is gerealiseerd heeft een lengte van 65 meter, waarbij grotere lengtes technisch mogelijk blijven.
Flexibele uitvoering en gecontroleerd proces
Het trektunnelsysteem is zo ingericht dat het trekproces op elk moment kan worden stilgelegd. Hierdoor is het niet noodzakelijk om de tunnel in één continu proces te realiseren. De werkzaamheden kunnen plaatsvinden tijdens reguliere werktijden. Aan het einde van de werkdag worden eenvoudige maatregelen getroffen om de situatie in en rondom de tunnel stabiel en veilig te houden.
Technische uitvoering van een trektunnel
De tunnel wordt eerst gebouwd naast de weg of het spoor, op een tijdelijke ondergrond die de stelvloer wordt genoemd. Dit kan met prefab betonelementen of met beton dat ter plaatse wordt gestort. Aan de voorkant van de tunnel wordt een stalen snijkop geplaatst. Deze snijkop is voorzien van bresschotten. De vorm en positie hiervan worden afgestemd op de aanwezige grondsoort. De snijkop heeft een open voorzijde, waardoor de grond zich op natuurlijke wijze in de vakken verdeelt.
Voor de start van het trekken worden trekstaven door de weg of het spoor geboord. Deze trekstaven verbinden de tunnel met de trekinstallatie. De trekinstallatie bestaat uit hydraulische vijzels in een stalen frame. Zodra de vijzels in werking worden gesteld, schuift de tunnel gecontroleerd door de ondergrond in de richting van de trekinstallatie.
De tunnel beweegt zich met een snelheid van 0,50 tot 1,00 meter per uur. De snelheid hangt af van de afmetingen van de tunnel en de samenstelling van de bodem. Tijdens het trekken wordt de grond vanuit de tunnel verwijderd. Dit gebeurt handmatig of met klein materieel, zoals een avegaar of een minishovel, afhankelijk van de situatie.
Om de benodigde trekkracht te beperken, wordt rondom de tunnel een bentonietfilm aangebracht. Deze film vermindert de wrijving tussen de tunnel en de grond. Daarnaast vult de bentonietfilm de ruimte die ontstaat door de snijkop. Na afloop van het trekproces wordt deze ruimte gevuld met een groutmengsel. Hierdoor ligt de tunnel stabiel en goed opgesloten in de ondergrond.